Brasserhout, Den Haag © atelier GROENBLAUW, Madeleine d’Ersu

Groene oevers en natte biotopen

Printen

Natuurvriendelijke oevers vormen in tegenstelling tot traditioneel beschoeide oevers een geleidelijke overgang van oever naar water. Op de droge oever kunnen zich land- en oevervegetaties vestigen, in het ondiepe water moerasvegetaties en riet, terwijl in het diepere water plaats is voor diverse waterplanten. Natuurvriendelijke oevers met een goede ecologische opbouw vormen een uitstekend leefgebied voor vele planten, vogels, insecten, amfibieën, vissen en zoogdieren. Hierbij is het wenselijk de oevervegetatie deels in te planten en zoveel mogelijk variatie aan te brengen. Dit om te voorkomen dat zich over de gehele lengte rietvegetatie gaat ontwikkelen en een monocultuur ontstaat. Daarnaast beïnvloeden natuurvriendelijke oevers de waterkwaliteit positief. Riet en biezen nemen voedingsstoffen op en er slaan zwevende deeltjes op neer waardoor de helderheid van het water toeneemt. Verder is een natuurvriendelijke oever veiliger voor kinderen. Door de minder scherpe overgang van land naar water vallen kleine kinderen minder snel in het water en kunnen ze er in ieder geval makkelijk uit klimmen.

Schema groene oevers © based on STOWA, 2009

‘Natuurvriendelijke oevers’ is een ruim begrip. Door oevers natuurvriendelijk of ecologisch in te richten worden leefgebieden gevormd voor verschillende planten en dieren. Dit kan op diverse manieren en ten behoeve van verschillende diergroepen of plantengemeenschappen. Wanneer natuurvriendelijke oevers gewenst zijn, is het belangrijk vooraf vast te stellen wat verwacht kan worden en wat wel en niet gewenst is.

“Hieronder volgen puntsgewijs een aantal algemene richtlijnen voor aanleg van natuurvriendelijke oevers. 

  • De breedte van de oeverstrook is bepalend voor de ecologische waarde van de oever. Tot een breedte van 6 meter geldt dat met een toenemende breedte het aantal soorten planten en dieren sterk stijgt. Bij een breedte groter dan 6 meter wordt de stijging minder sterk.
  • Wanneer de ruimte voor een oeverstrook beperkt is, heeft het dan ook de voorkeur te kiezen voor één brede oeverstrook en één zeer smalle (eventueel harde) oeverstrook, boven twee vrij smalle oeverstroken.
  • Wanneer gekozen wordt om maar aan één zijde een brede ecologische oever aan te leggen, heeft de noordoever de voorkeur. Deze oever wordt beschenen door de zon. Dit bevordert de ontwikkeling van eieren van bijvoorbeeld amfibieën en larven. Ook hebben veel bloeiende planten een voorkeur voor een zonnige plek.
  • Door oevers met een zeer flauw talud te vormen ontstaat ruimte voor een geleidelijke overgang van water naar land; daarmee ontstaan extra mogelijkheden voor planten en dieren.
  • Wanneer zowel de aanwezigheid van amfibieën als vissen gewenst is moet er een ‘kraamkamer’ voor amfibieën worden aangelegd in de vorm van bijvoorbeeld een poel. Verschillende vissoorten eten namelijk de eitjes enlof de larven.
  • Op plaatsen waar over een lengte van 100 meter of meer oeverbeschoeiing wordt aangebracht, zijn “uitstapplaatsen” voor amfibieën, kleine zoogdieren en andere fauna nodig.
  • Om te zorgen dat uitwisseling van fauna binnen de wijken en tussen de verschillende wijken mogelijk is, zal bij de aanleg van bruggen en duikers rekening gehouden moeten worden met de passeerbaarheid van deze kunstwerken door de verschillende soorten.
  • Door bij de aanleg van de oeverstrook geen gebruik te maken van rechte lijnen maar van slingerende lijnen, ontstaan er plekjes met minder en meer luwte en minder of meer zon. Door deze variaties wordt de soortenrijkdom bevorderd. Oevers met een slingerende oeverlijn hebben bovendien een meer natuurlijk uiterlijk.
  • Verschillende plantensoorten stellen verschillende eisen aan de omgeving. Sommige soorten hebben een voorkeur voor een zandbodem en andere voor een kleibodem. Sommige soorten kunnen voorkomen in vrij diep water, andere uitsluitend in ondiep water. Hetzelfde geldt voor variatie in het waterpeil: sommige soorten hebben een fluctuerend waterpeil nodig, andere tolereren het en weer andere soorten kunnen daar absoluut niet tegen.
  • Het beheer van de begroeiing kan voor een belangrijk deel bepalen hoe deze er uit ziet. Door in de zomer te maaien ontstaat een andere soortensamenstelling dan wanneer er in de winter wordt gemaaid. Wanneer er jaarlijks wordt gemaaid heeft de begroeiing een heel andere structuur dan wanneer er een keer per bijvoorbeeld vijf jaar wordt gemaaid.
  • Verschillende diersoorten stellen verschillende eisen aan de structuur van de oeverbegroeiing. Sommige soorten hebben behoefte aan grazige begroeiingen, andere aan ruige begroeiingen. Ook zijn er soorten die speciaal aan bepaalde plantensoorten gebonden zijn.” 

De groene ruimte; Pötz et al., 2009

Brasserhout, Den Haag © by atelier GROENBLAUW, Madeleine d’Ersu

Literatuur